Arnold Karskens, verzetsheld?

Arnold Karskens, 's lands bekendste oorlogsverslaggever, voert een remarquabele queeste tegen de van oorlogsmisdaden verdachte Klaas-Carel Faber. Laatstgenoemde is een in 1947 ter dood veroordeeld voormalig lid van de Nederlandse Waffen-SS. Al snel na de Tweede Wereldoorlog vlucht Faber naar Duitsland. Daar valt hij onder de Duitse amnestie-wet voor o.a. SS’ers.

Nederland heeft op verschillende momenten vergeefs om zijn uitlevering gevraagd. Vanaf 2010 lijkt echter, mede dankzij de inspanningen van Karskens, schot in de zaak te komen. De fractievoorzitters in de Tweede Kamer ondertekenen een verzoek aan het Duitse parlement om de zaak te heropenen. Daarnaast volgt een Europees arrestatiebevel voor de inmiddels kramakkel en afgeleefde Faber.

Karskens treedt op als mecenas van de nabestaanden van Faber’s slachtoffers. De derde generatie inmiddels. In feite ben ik dat ook. Met dit verschil dat ik niet zoals Karskens (behept met heroïsch DNA) uit een familie van verzetshelden kom. Nee, neem mijn grootvader. Die was domweg op de verkeerde plaats op het verkeerde moment. Net als zovelen heeft hij een rondje concentratiekampen gemaakt, is hij in blauwwitte pyama kapotgeslagen, heeft hij een dodenmars gelopen om uiteindelijke te creperen in de afgrijselijke hel van Bergen Belsen. Mijn familie heeft zich in vier naoorlogse tribunalen als slachtoffer kunnen voegen, te weten: Neuengamme, Drutte, Celle en Bergen Belsen. Zij hebben dat niet gedaan. Waarom zouden ze? Verreweg de meeste SS’ers zijn vrijgesproken.

Evenwel begrijp ik Karskens emotie tot op zekere hoogte. De moordpartij die in Celle heeft plaatsgevonden is beschreven door Daniel Goldhagen als een van de meest onbegrijpelijke wreedheden van de Tweede Wereldoorlog. Verschillende daders, toen niet ouder dan 15, leven nog. Maar of ik de neiging heb om, net als Karskens, met een camera achter deze grijze snorren aan te rennen? Mais non. Maar ik kom dan ook niet uit een familie van verzetshelden. Mijn afweging is een andere, namelijk een opmerking van mijn grootvader net voor zijn overlijden aan een kampvriend: “Ineenstorting van rechtssystemen creëert duivels, ook in ons.”

Niet bijster slimme mensen laven zich in een eenvoudig wereldbeeld. Dat van Karskens is echter verreweg van frugaal. Zijn omvangrijke ervaring in oorlogsgebieden mag toch tot geen andere overtuiging leiden, dan dat er geen eenvoudige grens ligt tussen goed en fout. Karskens moet toch weten dat het neersabelen van een hoogbejaarde op geen enkele wijze genoegdoening oplevert? In de analogie van mijn pake is Faber voornamelijk een nog net in leven zijnd product van een rechtsstatelijke bezwijking. Toch merkwaardig dat Karskens deze nuance met al zijn oorlogservaring nooit is opgevallen. Is dit de invloed van het verzetsverleden van zijn familie of gewoon ijdele relzucht? Wie het weet mag het zeggen.