Kind van de rekening [Dossier Hanze-Unie, deel 2a]

‘De interne markt is met haar bijna geheel vrije verkeer van goederen, diensten, geld en personen, de motor van de EU-economie. Het is de bedoeling de mensen in Europa hiervan zo veel mogelijk te laten profiteren. De werkloosheid is teruggebracht tot een niveau dat in de laatste twintig jaar nauwelijks is voorgekomen en de arbeidsmarkt is beter bestand geworden tegen economische achteruitgang; het aantal banen blijft groeien.’

Gelukkig is de Europese Commissie (EC) zelf wel tevreden met de arbeidsmarkt in de Eurozone. De inconsistentie van de Unie ziet ze echter over het hoofd. Nederland kent dan zowat de laagste werkloosheid van Europa, maar de situatie in Spanje is rampzalig: een kwart van de beroepsbevolking is werkloos, ofwel vier miljoen mensen. In Madrid bedraagt de jeugdwerkloosheid 60%, waardoor men spreekt van een ‘lost generation’ die grotendeels nooit zal kunnen werken.

'Werkloosheid, welke werkloosheid'?
In alle communicatie (of eigenlijk: propaganda) van de EC wordt er nooit gesproken over een dieperliggende root-cause van deze discrepantie. We zouden iets over het hoofd kunnen zien, maar scheutig is de EC in ieder geval niet met analyses van het immense werkloosheidsprobleem. Op de 20-talige (!) website Europa.eu is men sinds de crisis maar gestopt met het noemen van deze cijfers: kennelijk leeft het probleem niet bij de Brusselse bureaucratie.

De cijfers laten zien dat de werkloosheid in Spanje structureel hoger is dan die in Nederland, maar dat verklaart de divergentie sinds 2007 niet. Kennelijk beschikt de Spaanse overheid niet over de economische instrumenten om de werkloosheid terug te dringen. Deze bestaan, voor soevereine staten, uit rentebeleid, wisselkoersbeleid en de mogelijkheid om anticyclisch te besteden.

Zieners
Spanje is al deze instrumenten kwijt en daarom rest de overtollige werknemer daar niets dan armoede en werkloosheid. Maar het is niet zo dat deze problemen niet voorzien waren. De volgende analyse komt van mensen die zichzelf expert mogen noemen, namelijk een groep van 70 economen, onder aanvoering van Groenlinkser Kees Vendrik. Al in 1997 voorspelden ze dit probleem in een column:

‘Landen die straks aan de gemeenschappelijke munt gaan meedoen, verliezen belangrijke instrumenten voor macro-economisch beleid. Binnen de Unie geldt dat uiteraard voor wisselkoersaanpassingen, die immers verdwijnen bij de komst van de euro.

En omdat de rente straks overal ongeveer gelijk zal zijn, de grensoverschrijdende mobiliteit van arbeidskrachten (nog) gering is, en in financiële transfers niet is voorzien, zouden de EMU-landen straks nog maar over één instrument beschikken om economische schokken op te vangen: de overheidsbestedingen.

(...) juist dat laatste instrument wordt geblokkeerd door het (...) stabiliteitspact. Harde sancties zijn vastgelegd tegen landen die het maximaal toegestane financieringstekort van 3 procent overschrijden. Dit betekent dat de factor arbeid de rekening van genoemde economische schokken gepresenteerd zal krijgen: in de vorm van werkloosheid, loondaling en verdergaande flexibilisering.’

De schrijvers halen en passant ook uit naar de monetaristen. Dat zijn ‘neoliberalen’, onder leiding van de in sommige kringen omstreden Milton Friedman. Nu had deze econoom, in hetzelfde jaar, soortgelijke bezwaren tegen de euro, gegeven het gebrek aan arbeidsmobiliteit:

'A common currency is an excellent monetary arrangement under some circumstances, a poor monetary arrangement under others. Europe’s common market exemplifies a situation that is unfavorable to a common currency. It is composed of separate nations, whose residents speak different languages, have different customs, and have far greater loyalty and attachment to their own country than to the idea of 'Europe'. As a result, wages and prices in Europe are more rigid, and labor less mobile. 

Geen interne markt
Volgens de EC is de eurozone een interne markt met bijna geheel vrij verkeer van personen, maar de cijfers laten iets anders zien. De Spaanse werkloze zit gevangen in een land dat (behalve bezuinigen) geen lokaal economisch beleid meer mag voeren, terwijl de stap om elders in de Unie te werken te groot is. Dat is geen probleem dat door de crisis plotseling zichtbaar is, maar een symptoom van een dieperliggend probleem: de Europese unie heeft niet de optimale omvang en samenstelling.