Zo wordt het associatieverdrag via achterdeur gewoon ingevoerd: referendum was zinloos (1)

Dat referendum van 6 april hadden we net zo goed niet kunnen houden. Terwijl we wachten wordt er invulling gegeven aan het akkoord, dat kunnen we opmaken uit deze kabinetsbrief van afgelopen vrijdag, als antwoord op vragen van Kamerlid Van Klaveren. 

In principe mag het akkoord pas van kracht zijn, als het door alle lidstaten is geratificeerd. Nederland wil dat kennelijk niet, wat impliceert dat het verdrag niet doorgaat. Maar de Europese unie is een TGV die soms uit de rails mag lopen: hier is een omweg voor. Dat gaan we in vijf delen doen. 

Bij Europese verdragen geldt er een bepaalde verdeling in bevoegdheden, waarbij het zogeheten subsidiariteitsbeginsel vereist dat beslissingen vooral bij lidstaten genomen moet worden, als dat mogelijk is. Bij handel is dat lastig of onmogelijk. Immers, als de aangesloten landen afspreken om grenzen voor personen, goederen en kapitaal af te schaffen, dan volgt daar automatisch uit dat een land niet meer zelfstandig handelsbelemmeringen kan opleggen. Als een Oekraïense plofkip naar Duitsland mag worden geëxporteerd, dan is deze zonder belemmeringen in Nederland te verkopen, het logische gevolg van open grenzen. Een extra Nederlands wetje over kippen is dan zinloos.

Militaire samenwerking
Daarom zeggen we in dit geval dat handelsakkoorden een exclusieve bevoegdheid zijn van Brussel. Met militaire samenwerking is dat niet zo: het Nederlandse leger staat onder exclusief bevel van de eigen regering, niet de Europese commissie. Militaire samenwerking is daarom géén Europese aangelegenheid, tenminste voorlopig nog. Dit is dus een lokale, Nederlandse bevoegdheid. Het is dus de vraag of de bepalingen uit het associatieverdrag een Nederlandse of een Brusselse aangelegenheid zijn. Dat staat ook met zoveel woorden in de brief.

Zowel de douane-unie (vrij verkeer van personen, goederen en kapitaal en een gemeenschappelijk handelsbeleid) als de handelspolitiek zijn een Brusselse aangelegenheid, wat dus nogal dubbelop is maar dat terzijde.

Maar wanneer is iets eigenlijk een aangelegenheid van Brussel, en wanneer van Den Haag? De brief stelt dat er drie mogelijkheden zijn, in de derde alinea. We beperken ons tot de eerste twee. Een zogeheten wetgevingshandeling kan er de oorzaak van zijn dat een bevoegdheid van het nationale parlement naar Brussel kan worden overgeheveld. In normaal Nederlands: de Tweede Kamer kiest er zelf voor, net als bij handel. Dit is volledig democratisch, wat het is een keuze die wordt gemaakt door parlementariërs die we zelf hebben gekozen. 

De tweede mogelijkheid volgens welke een nationale aangelegenheid overgeheveld kan worden naar Brussel, is de zogeheten 'noodzaak' om de unie haar werk te laten doen. Dat is bijzonder: dus ook als ons eigen parlement niet wil dat een bevoegdheid naar Brussel gaat, dan rechtvaardigt enkel de 'noodzaak' dat het toch gebeurt. Hoe kan zo'n vreemde bepaling ontstaan? En wie maakt de beslissing wanneer iets noodzakelijk is en welke bevoegdheden zijn er recentelijk (of worden er binnenkort) nog meer overdragen naar Brussel, dankzij de clausule met betrekking tot 'noodzaak' en niet zozeer een democratische wens?

Om met de laatste vraag te beginnen: daarbij gaat het om onze pensioenen, ons leger en de mogelijkheid onze soevereniteit fysiek over ons eigen grondgebied te doen gelden, onze belastingwetten, de mogelijkheid de toekomstige inkomsten daaruit met schuld te verzwaren (een Europese staatsschuld dus), de vraag of Nederland om strategische redenen wel of niet in de eigen voedselbehoefte moet kunnen voorzien, het budgetrecht, de energievoorziening, het recht om spaargeld te confisceren, de keuzevrijheid om wel of geen staatssteun aan banken in andere lidstaten te geven alsmede een gemeenschappelijk buitenlandbeleid.

Sneltreinvaart
Omdat een overdracht van bevoegdheden nu niet geregeld hoeft te worden via een stemming in de Tweede Kamer maar al gerechtvaardigd is door enkel de 'noodzaak' kunnen al deze zaken in sneltreinvaart naar Brussel worden overgedragen. Dat hebben we al gezien bij de reddingsfondsen om bijvoorbeeld Griekenland te redden. 

Nederland heeft het Europese verdrag getekend en dat is glas- en glashelder: Nederland mag nóóit opdraaien voor de problematische van schulden van andere landen, tenzij we dat zelf expliciet willen: dat is wat artikel 125 zegt. Artikel 126 dat daarop volgt meldt overigens dat die schulden niet mogen bestaan, hetgeen ook wordt overtreden maar dat terzijde.

Alleen, als Nederland niet bijspringt om de Grieken te helpen, dan zouden ze wel eens uit eurozone kunnen vallen. Om de eurozone te redden is er dus sprake van een noodzaak en dat is op zich al genoeg om artikel 125 te breken. U kunt het dus ergens niet mee eens zijn, maar de noodzaak rechtvaardigt een tegengesteld beleid. Dus u mag inderdaad willen dat het verdrag met Oekraïne niet van kracht zal zijn, dat is dan niet erg relevant: de noodzaak rechtvaardigt het breken van een democratische wens. 

Omdat het maandagochtend is, doen we dit in een paar delen: beter knippen we het op, in plaats van dat we u op het slechtste moment van de week lastig vallen met driezuidend woorden over EU-recht. Maar het raakt u wel. De volgende keer kijken we hoe het mogelijk is dat een heldere wens (zoals 'geen cent naar de Grieken') op democratische wijze, volledig legaal terzijde geschoven kan worden. Deel drie gaat over de douane-unie en militaire samenwerking. Volgens Bert Koenders mag Nederland zelf beslissen of het wel of geen militair samenwerkingsakkoord wil sluiten met Kiev (zie onder) maar dat is pertinent onjuist. In het laatste deel kijken we wat dat met Nederland, Oekraïne en ons beider relatie met Rusland doet. It ain't pretty, maar ook dat is niet relevant. Zo werkt dat bij een fait accompli, een voldongen feit